Hoofdstukken:
• 1.0 Preventieve maatregelen vos
• 1.1 Minimale normen rasters
• 1.2 Normen voor vaste afrastering met stroomdraden
• 1.3 Overige suggesties
• 2.0 Vaste afrastering van gaas en stroomdraden
• 2.1 Normen voor vaste afrastering van gaas en stroomdraden
• 2.2 Overige suggesties
• 3.0 Verplaatsbare afrastering
• 3.1 Stroomdraad, flexinet of flexinet met stroomdraad
• 3.2 Normen voor verplaatsbare afrastering of flexinet, al dan niet met stroomdraad
• 3.3 Normen voor verplaatsbaar raster met stroomdraden
• 3.4 Overige suggesties
• 4.0 Elektrisch netwerk/Euronet
• 4.1 Instructies voor gebruik
• 5.0 Specifieke preventie maatregelen voor vossen
• 5.1 Tijdig ophokken van kippen
• 5.2 Ondersteunend afschot en populatiebeheer
• 5.3 Vangkooi
• 6.0 Soorten faunaschade vos
• 6.1 Predatie
• 6.2 Schade aan akkerbouwgewassen
• 7.0 Algemeen
• 7.1 Tegemoetkoming
• 7.2 Wat te doen bij schade
• 7.3 Ontheffing
• 7.4 Meer informatie
• 7.5 Kleine lettertjes
1.0 Preventieve maatregelen vos
Het plaatsen van afrasteringen is een zeer effectieve manier om vossen te weren van landbouwpercelen. Gaasrasters worden vooral gebruikt bij vaste percelen waar vee geweid wordt. Gaasrasters die nu al gebruikt worden bij schapenweides om edelherten of wilde zwijnen te weren zijn vaak ook geschikt om vossen op afstand te houden. Voor een raster gelden echter specifieke eisen. Deze worden hieronder toegelicht.
1.1 Minimale normen rasters
Voor rasters die gebruikt worden om schapenweides af te rasteren hanteert BIJ12 onderstaande normen:
• Vaste afrastering
• Stroomdraden
Een stroomdraad is zeer geschikt om vossen te weren. De stroomdraden geven een stroomschok bij contact. Dit wordt door vossen als zeer onaangenaam ervaren, waardoor hij/zij een volgende poging zal vermijden. Stroomdraden zijn goedkoper dan een combinatie van gaas en stroomdraden. Bovendien zijn ze eenvoudiger te plaatsen en te verplaatsen. Wel vragen ze om meer toezicht en onderhoud. De stroomdraadapparaten zijn bovendien diefstalgevoelig. Ook is het belangrijk dat de draden geen contact maken met de ondergrond of vegetatie om de stroomgeleiding te waarborgen.
1.2 Normen voor vaste afrastering met stroomdraden
• Minimaal 4.5 kV elektrische spanning; minimaal 1,5 joule impulsenergie.
• Minimaal 5 draden bij nieuwe stroomdraden en/of poorten.
• Verdeling van de draden:
• Onderste draad maximaal op 20 cm hoogte van de grond.
• Bovenste draad minimaal 120 cm hoogte vanaf de grond.
• Tussen draden op 40, 60, 90 cm hoogte.

• Draden dienen aan de buitenzijde van het raster geplaatst te zijn.
• De afwijking voor de draden mag niet meer dan 5 cm zijn.
• Er mag geen opstapmogelijkheid zijn die groter is dan 30 cm buiten het raster op een afstand van 2 meter.
• Maximale afstand tussen de palen is 10 meter.
1.3 Overige suggesties
Het spreekt voor zich dat de rasterpalen van goede kwaliteit dienen te zijn. Hieronder een suggestie welke afmetingen deze palen zouden kunnen hebben:
• Rasterpalen: 2,00 tot 3,00 meter lang, diameter 10/12 cm.
• Hoek- en schoorpalen: 3,50 meter lang, diameter 12/14 cm.
• Gebruik bij bochten en hoeken een steunpaal om de draden strak te houden.
• Ten overvloede: bij toegangspoorten gelden, afhankelijk van de uitvoering, dezelfde eisen als voor de afrastering zelf.
• Gebruik de middelste draad als aardedraad.
• Om overal voldoende spanning op de draden te houden kan bij grotere percelen een hogere impulsenergie nodig zijn.
• Plaats op 1,20 meter hoogte eventueel extra schriklint zonder stroom als extra optische barrière.

2.0 Vaste afrastering van gaas en stroomdraden
2.1 Normen voor vaste afrastering van gaas en stroomdraden
• Minimaal 4.5 kV elektrische spanning; minimaal 1,5 joule impulsenergie.
• Minimaal 3 draden bij gaas en/of bestaande dichte poorten.
• Verdeling van de draden:
• Onderste draad maximaal op 20 cm van de grond.
• Bovenste draad minimaal 120 cm hoogte.
• Tussen draden op 40 tot 60 cm hoogte.
• Draden dienen aan de buitenzijde van het raster geplaatst te zijn.
• Er mag geen opstapmogelijkheid zijn die groter is dan 30 cm buiten het raster op een afstand van 2 meter.
• Maximale afstand tussen de palen is zodanig dat het gaas stevig staat (4 – 6 meter).
2.2 Overige suggesties
• Gebruik gepuntlast verzinkt gaas: zwaar vierkant vlechtwerk van 1,20 m bijvoorbeeld zwaartype 120.
• Het spreekt voor zich: maar het gaas dient géén gaten te hebben.
• De rasterpalen dienen van goede kwaliteit te zijn. Hieronder vindt u een suggestie voor de afmetingen. Behalve houten palen, kunt u ook kunststofpalen of insultimber gebruiken.
• Rasterpalen: minimaal 1,80 meter lang, diameter 10/12 cm.
• Hoek- en schoorpalen: ca. 2,50 meter lang, diameter 12/14 cm

3.0 Verplaatsbare afrastering
3.1 Stroomdraad, flexinet of flexinet met stroomdraad
Een verplaatsbare afrastering met gaas (al dan niet met stroomdraad) blijkt een goed toepasbare en effectieve methode om vossen van landbouwpercelen te weren. De werking is hetzelfde als bij een vaste afrastering met stroomdraad. U kunt de flexinetten na enige oefening vrij simpel aanbrengen en opruimen. Het flexinet met stroomdraad vraagt net zoals een vaste afrastering met stroomdraad meer toezicht en onderhoud.
Schrikapparaten op 220 V kunnen een grotere lengte onder spanning houden dan apparaten op accu’s. Daarbij zijn accu’s op zonnecellen bedrijfszekerder dan losse accu’s. Op plekken die vaak overstromen of waar de bodem vaak nat is, kan ook een soort rubberen stroomdraad gebruikt worden. Deze blijft ook onder zeer natte omstandigheden bij beroering een schok afgeven en verliest geen stroom.
3.2 Normen voor verplaatsbare afrastering of flexinet, al dan niet met stroomdraad
• Minimaal 4.5 kV elektrische spanning; minimaal 1,5 joule impulsenergie.
• Stevige en strakke opstelling: de hoeken dienen daarbij geschoren te zijn.
• Er mag geen opstapmogelijkheid zijn die groter is dan 30 cm buiten het raster op een afstand van 2 meter.


3.3 Normen voor verplaatsbaar raster met stroomdraden
• Minimaal 4.5 kV elektrische spanning; minimaal 1,5 joule impulsenergie.
• Minimaal 5 draden.
• Verdeling van de draden:
• Onderste draad maximaal op 20 cm hoogte van de grond.
• Bovenste draad minimaal 120 cm hoogte vanaf de grond.
• Tussen draden op 40, 60, 90 cm hoogte.
• Draden dienen aan de buitenzijde van het raster geplaatst te zijn.
• De afwijking voor de draden mag niet meer dan 5 cm zijn.
• Er mag geen opstapmogelijkheid zijn die groter is dan 30 cm buiten het raster op een afstand van 2 meter.
• Maximale afstand tussen de palen is 10 meter.

3.4 Overige suggesties
Het is aan te bevelen de onderste draad 20 cm boven de grond te plaatsen, zodat deze vrij ligt en geen contact maakt met begroeiing. Ook is het aan te raden, waar nodig en mogelijk, de strook onder de stroomdraad vooraf te maaien. Plaats het raster, indien mogelijk, ook zo vlak mogelijk boven de ondergrond. Dit zorgt voor minder stroomverlies, waardoor de minimale spanning van 4,5 kV gehaald wordt en de accu niet te snel leeg raakt.
Voor goede en regelmatige aarding is het aan te raden bij elke koppeling van netrollen (50 meter) een koppeling aarde te maken. Bij bochten en hoeken is het handig om een steunpaal te gebruiken. Eventueel kan bovenlangs nog een schriklint geplaatst worden als extra optische barrière.
4.0 Elektrisch netwerk/Euronet
Fijnmazig elektrisch netwerk blijkt een goed toepasbare en effectieve methode om vossen van landbouwpercelen te weren. U kunt de netten na enige oefening vrij simpel aanbrengen en opruimen. De kosten voor aanschaf en onderhoud liggen vrij hoog, waardoor deze methode vooral in aanmerking komt voor de wat kapitaalintensievere teelten. De netten met bijbehorende schrikdraadapparaten zijn diefstalgevoelig en daardoor niet overal toepasbaar.
4.1 Instructies voor gebruik:
• 1,00 tot 1,20 meter hoog
• Zorg voor goede en regelmatige aarding; het beste is om bij elke koppeling van netrollen (50 meter) een koppeling aarde te maken
• Bij bochten en hoeken steunpaal gebruiken
• Minimaal 3.000 volt/1,5 joule impulsenergie
• Eventueel bovenlangs nog een schriklint plaatsen als extra optische barrière
